Principe
Bij de beëindiging in onderling overleg dient er geen enkele vergoeding aan de werknemer betaald te worden. De werkgever en de werknemer kunnen evenwel altijd vrij overeenkomen dat er toch een zekere vergoeding wordt toegekend, waarvan het bedrag dan vrij bepaald wordt tussen de partijen.
Behandeling van de vergoeding
De vergoeding is een voordeel dat toegekend wordt naar aanleiding van de conventionele beëindiging van de arbeidsovereenkomst en wordt juridisch als loon beschouwd.
Hoewel deze vergoeding niet als een opzegvergoeding beschouwd mag worden, wordt zij zowel op sociaal als op fiscaal vlak als zodanig behandeld. Op deze vergoeding dienen immers de normale socialezekerheidsbijdragen en bedrijfsvoorheffing betaald te worden. Bovendien is op het deel van deze vergoeding dat betrekking heeft op de prestaties vanaf januari 2014 ook de bijzondere compenserende bijdrage verschuldigd die eveneens op de opzegvergoeding verschuldigd is.
De RSZ geeft in zijn “instructies aan werkgevers” aan hoe “het deel dat betrekking heeft op de prestaties vanaf januari 2014” berekend moet worden:
Een bediende, in dienst vanaf 1 januari 2013, komt met zijn werkgever overeen om zijn arbeidsovereenkomst te beëindigen in gemeenschappelijk akkoord op 28 februari 2014. Na onderling overleg betaalt de werkgever hem een forfaitaire vergoeding van 9.519,21 euro. Zijn jaarloon wordt berekend op basis van het loon en prestaties voor januari en februari 2014 en bedraagt 55.000 euro.
De bijzondere bijdrage is enkel verschuldigd op het deel van de vergoeding dat betrekking heeft op 2014. Dit kan berekend worden op basis van het aantal weken: 9.519,21 x 9 (aantal weken in 2014) / 61 (totaal aantal weken dat de werknemer bij de werkgever tewerkgesteld was) =1.404,47 euro. De werkgever is hierop een bijdrage verschuldigd van 2%, namelijk 28,09 euro.
Wat zijn de gevolgen van een vergoeding waarin een beëindigingsovereenkomst of een dading voorziet?
De beëindiging van de arbeidsovereenkomst in onderling akkoord kan belangrijke gevolgen hebben op het vlak van de werkloosheidsverzekering. In principe wordt de werknemer die ermee instemt om zijn arbeidsovereenkomst in onderling akkoord te beëindigen, niet beschouwd als onvrijwillig werkloos. Hij loopt bijgevolg het risico niet toegelaten te worden tot het genot van werkloosheidsuitkeringen.
De vraag of een vergoeding waarin een beëindigingsovereenkomst of een dading voorziet, moet worden vermeld op het formulier C4, hangt af van de vraag of deze al dan niet cumuleerbaar is met werkloosheidsuitkeringen.
Volgens de RVA kan een vergoeding die wordt toegekend naar aanleiding van de beëindiging van de arbeidsovereenkomst enkel worden gecumuleerd met werkloosheidsuitkeringen indien de volgende drie voorwaarden gelijktijdig zijn vervuld:
- de vergoeding wordt door de partijen niet gekwalificeerd als een opzeggingsvergoeding of een verbrekingsvergoeding;
- zij vervangt niet geheel of gedeeltelijk de voordelen waarop de werknemer recht heeft in het kader van de normale ontslagregeling; de wettelijke opzeggingstermijn of de verbrekingsvergoeding moet dus daadwerkelijk en volledig zijn toegekend;
- de werknemer is onvrijwillig werkloos.
In geval van een beëindiging in onderling akkoord is de derde voorwaarde in principe niet vervuld. De vergoeding moet bijgevolg worden beschouwd als loon dat niet cumuleerbaar is met werkloosheidsuitkeringen en moet worden vermeld op het formulier C4.
Dezelfde analyse moet worden uitgevoerd wanneer de overeenkomst wordt gesloten na een ontslag door de werkgever:
- in geval van verlenging van de opzeggingstermijn wordt de vergoeding gekwalificeerd als een verlenging van de opzeggingsvergoeding en moet zij op het C4 worden vermeld;
- in geval van verkorting van de opzeggingstermijn wordt de wettelijke opzeggingstermijn of de verbrekingsvergoeding niet volledig toegekend. De vergoeding moet dus eveneens op het C4 worden vermeld;
- wanneer het niet om een opzeggingsvergoeding of een verbrekingsvergoeding gaat, kan het, afhankelijk van de kwalificatie ervan en de concrete omstandigheden, nodig zijn om de vergoeding op te nemen in de rubrieken 3A en 3B van het C4.
De verlenging van het gebruik van een bedrijfswagen na het einde van de arbeidsovereenkomst daarentegen moet niet op het C4 worden vermeld.
Een aanvullende vergoeding die bovenop de verbrekingsvergoeding wordt toegekend, moet in principe niet op het C4 worden vermeld wanneer zij cumuleerbaar is met werkloosheidsuitkeringen. Deze kwestie moet evenwel worden onderzocht in het licht van de kwalificatie van de vergoeding en de concrete omstandigheden van de beëindiging. Wanneer de vergoeding een morele of extrapatrimoniale schade vergoedt die voortvloeit uit een foutief gedrag van de voormalige werkgever, wordt zij in principe niet beschouwd als loon in de zin van de werkloosheidsreglementering en is zij cumuleerbaar met werkloosheidsuitkeringen.
De werkgever moet dus voorzichtig de kwalificatie onderzoeken die aan elke dadingvergoeding wordt gegeven, evenals het eventuele verband ervan met de rechten die voortvloeien uit de normale ontslagregeling. De kwalificatie die in de overeenkomst is opgenomen, volstaat op zichzelf niet: de RVA beoordeelt concreet of de voorwaarden voor cumulatie zijn vervuld.