Het stelsel van sociale bijdragen voor betaalde sportbeoefenaars is van toepassing op twee categorieën sportbeoefenaars:
- sportbeoefenaars die vallen onder de wet van 24 februari 1978 betreffende de arbeidsovereenkomst voor betaalde sportbeoefenaars.
- sportbeoefenaars die niet onder die wet vallen: zij hoeven alleen bij de RSZ te worden aangegeven als ze onder een arbeidsovereenkomst vallen, d.w.z. als ze hun diensten onder het gezag van een andere persoon uitvoeren en een vergoeding ontvangen die hoger is dan de onkostenvergoeding waarvoor de werkgever verantwoordelijk is.
Hierdoor zijn sportbeoefenaars die alleen een bescheiden onkostenvergoeding en een kleine resultaatbonus ontvangen niet onderworpen aan de verplichting om aangifte te doen bij de RSZ. De activiteiten worden beschouwd als uitgevoerd in een vrijetijdscontext, zonder de intentie om een arbeidsovereenkomst tussen de partijen te sluiten.
Die interpretatie is geldig op voorwaarde dat:
- het totale bedrag dat in de loop van een sportseizoen (d.w.z. per jaar) wordt ontvangen, niet hoger is dan € 4.500;
- de sportbeoefenaar zelf de kosten draagt die verband houden met zijn sportbeoefening, zoals de aankoop en het onderhoud van uitrusting, verzorging (kinesitherapie), voeding, verplaatsingen en sociale lasten.