Basisbijdrage en responsabiliseringsbijdrage: wat is het verschil?
Bij de financiering van de statutaire pensioenen moet een onderscheid worden gemaakt tussen de basispensioenbijdrage en de responsabiliseringsbijdrage.
De basispensioenbijdrage is de reguliere bijdrage op de lonen van de actieve statutaire personeelsleden. Ze dient voor de financiering van de statutaire pensioenen van dat jaar.
De responsabiliseringsbijdrage is een mogelijke bijkomende bijdrage. Ze is verschuldigd wanneer de basisbijdragen van een bestuur zijn pensioenlasten niet volledig dekken.
Basispensioenbijdrage stijgt naar 45,50%
Bijna alle lokale besturen financieren de pensioenen van hun statutaire personeelsleden via het Gesolidariseerde pensioenfonds. De bijdragen van de aangesloten besturen financieren de statutaire pensioenen van dat jaar.
Voor 2025 en 2026 bedraagt de basispensioenbijdrage 45% van de lonen van de statutaire personeelsleden. Artikel 1 van het koninklijk besluit van 23 september 2026, gepubliceerd in het Belgisch Staatsblad van 1 oktober 2026, stelt het algemene basispensioenbijdragepercentage voor 2027, 2028 en 2029 vast op 45,50%.
• 38% werkgeversbijdrage
• 7,5% persoonlijke bijdrage van het statutaire personeelslid
De persoonlijke bijdrage van 7,5% wordt via het loon ingehouden. De verhoging situeert zich dus volledig aan werkgeverszijde. Voor lokale besturen neemt de werkgeverskost voor statutaire pensioenen vanaf 2027 opnieuw toe.
Sterke stijging van de werkgeversbijdrage op lange termijn
De verhoging past in een bredere evolutie waarbij de pensioenfinanciering voor statutaire medewerkers steeds zwaarder weegt op de lokale financiën.
Volgens de VVSG bedroeg de werkgeversbijdrage voor statutaire pensioenen in 1987 nog 11,90%. Vanaf 2027 bedraagt ze 38%. Ter vergelijking: voor contractuele personeelsleden die onder het werknemerspensioen vallen, betaalt een overheidswerkgever een pensioenbijdrage van 8,86% op het loon. Dit illustreert het grote verschil in pensioenkost tussen statutair en contractueel personeel.
Responsabiliseringsbijdrage komt boven op de basisbijdrage
Voor veel lokale besturen stopt de pensioenfactuur niet bij de basisbijdrage. Omdat lokale besturen steeds minder statutaire personeelsleden tewerkstellen, volstaan de pensioenbijdragen op de lonen van actieve statutairen bij veel besturen niet om de pensioenlasten van hun voormalige statutaire personeelsleden te financieren. Daarom werd in 2011 de responsabiliseringsbijdrage ingevoerd.
Wanneer de basisbijdragen van een bestuur zijn pensioenlasten niet volledig dekken, moet het bestuur een deel van het verschil bijkomend financieren. De omvang daarvan wordt bepaald via de responsabiliseringscoëfficiënt. De wettelijke grondslag is artikel 19 van de wet van 24 oktober 2011.
Voor 2025 bedraagt de coëfficiënt 71,78%. Voor elke 100 euro aan pensioenlasten die niet door de basisbijdrage wordt gedekt, draagt het betrokken bestuur dus 71,78 euro via de responsabiliseringsbijdrage. Volgens een inschatting van de Federale Pensioendienst kan de coëfficiënt tegen 2031 oplopen tot 83,53%. Dit is een prognose en geen vastgesteld of gegarandeerd wettelijk tarief. Tot 2021 bedroeg de coëfficiënt 50%.
Wat betekent dit voor lokale besturen?
Het algemene basispensioenbijdragepercentage stijgt van 45% naar 45,50% voor 2027, 2028 en 2029. Op een pensioenbijdrageplichtige loonmassa van 10 miljoen euro betekent een verhoging met 0,5 procentpunt een bijkomende werkgeverskost van 50.000 euro per jaar, als de volledige loonmassa aan de verhoogde bijdrage onderworpen is.
De basisbijdrage moet bovendien samen worden bekeken met de eventuele responsabiliseringsbijdrage. De uiteindelijke pensioenlast hangt daardoor sterk af van de verhouding tussen de statutaire loonmassa van het bestuur en zijn pensioenlasten.
Aandachtspunten voor HR, payroll en financiën
Houd bij de budgettering en meerjarenplanning rekening met:
• het totale algemene basispensioenbijdragepercentage van 45,50%;
• het werkgeversaandeel van 38%;
• de eventuele responsabiliseringsbijdrage boven op de basisbijdrage;
• de verdere evolutie van de responsabiliseringscoëfficiënt.
Bijzondere situatie voor voormalige pool 1-besturen
De voormalige pool 1-besturen zijn de besturen die op 31 december 2011 waren aangesloten bij het vroegere gemeenschappelijke pensioenstelsel voor lokale besturen. Dit stelsel bestond historisch hoofdzakelijk uit lokale besturen die vóór 1 januari 1987 waren aangesloten bij de voormalige Omslagkas van het Ministerie van Binnenlandse Zaken.
De ex-pool 1-reserve is het saldo van het reservefonds van dit stelsel zoals opgenomen in de op 31 december 2011 definitief afgesloten rekeningen. De reserve is uitsluitend bestemd voor de financiering van de pensioenen die verschuldigd zijn door de besturen die op 31 december 2011 bij ex-pool 1 waren aangesloten.
Van 2018 tot en met 2024 werd jaarlijks een korting van 3% uit de ex-pool 1-reserve toegekend. De federale regering stelde dezelfde korting voor 2026 voor. Het beheerscomité van het pensioenfonds adviseerde op 24 augustus 2026 om voormalige pool 1-besturen voor 2027 een korting van 3 procentpunten toe te kennen. De federale regering moet nog beslissen of zij dat advies volgt.
Een eventuele korting is een afzonderlijke tussenkomst uit de ex-pool 1-reserve en geldt niet voor alle besturen. Besturen die tot andere pensioenstelsels behoren, ontvangen geen korting uit die reserve. De eventuele korting moet afzonderlijk worden bekeken van de algemene verhoging van de basisbijdrage.
Onze tip
Breng de impact van de verhoging tijdig in kaart op basis van de pensioenbijdrageplichtige loonmassa. Neem daarnaast de eventuele responsabiliseringsbijdrage afzonderlijk op in de personeels- en meerjarenplanning.
Wat doet Securex voor jou?
Heb je vragen over de verwerking van de pensioenbijdrage in payroll of over de impact op je personeelsbudget? Neem contact op met je Securex Legal Advisor.